Fort Advocaten

Bibob

Door Rob IJsendijk

Wet Bibob (Wet bevordering integriteits beoordelingen door het openbaar bestuur)

De Wet Bibob is in werking getreden in 2003.

Kort gezegd beoogt de wet te voorkomen dat door de overheid verleende of te verlenen vergunningen faciliterend zijn aan strafbaar handelen. Op grond van deze wet kan het openbaar bestuur een vergunning weigeren of intrekken indien wordt vermoed dat het gevaar bestaat dat de vergunning op enigerlei wijze strafbaar handelen faciliteert. Daarbij kan worden gedacht aan bijv. exploitatievergunningen op grond van de APV, vergunningen ingevolge de Drank- en horecawet, vervoersvergunningen (bijv. taxi’s en bussen), milieuvergunningen, maar ook bouwvergunningen, aanbestedingen en subsidies.

Deze wet is derhalve op een belangrijk deel van het maatschappelijk, openbaar en economisch leven van toepassing.

Het openbaar bestuur mag in het kader van een vergunning zelf een (beperkt) onderzoek doen naar de antecedenten van de vergunninghouder. Daarbij moet o.a. worden gedacht aan de herkomst van diens vermogen, zijn financieringsrelaties en zijn bezittingen. Het openbaar bestuur is echter beperkt in haar mogelijkheden. Indien zij verder onderzoek wil doen, kan zij advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob te Den Haag. Dit bureau heeft inzage in nagenoeg alle registers en kan derhalve onbeperkt informatie vragen bij politie, openbaar ministerie, belastingdienst en overige overheidsinstanties.

Op grond van de aldus verzamelde informatie adviseert het Bureau Bibob het bestuursorgaan. Een advies kan behelzen:
1) ernstig gevaar, hetgeen impliceert intrekking of weigering van de vergunning, of
2) mindere mate van gevaar, hetgeen impliceert dat nadere voorschriften aan de vergunning worden verbonden, of
3) geen gevaar, hetgeen impliceert vergunning verlenen of niet intrekken.

Omdat het Bureau Bibob een diepgaander onderzoek kan doen dan het bestuursorgaan zelf, spitst een dergelijk onderzoek zich veelal toe op de financiële, zeggenschaps- en arbeidsrelaties welke de vergunninghouder heeft gehad of nog heeft met derden. Die derden kunnen zowel rechtspersonen als natuurlijke personen zijn. Indien bijv. een ondernemer ooit een financiering heeft gehad van een derde waarvan achteraf is gebleken dat die derde zijn vermogen deels uit strafbaar handelen (bijv. belastingfraude) heeft verkregen, kan het Bureau Bibob daaraan de conclusie verbinden dat zich in het vermogen van de vergunninghouder kapitaal bevindt dat van crimineel handelen afkomstig is. Zelfs indien de vergunninghouder/exploitant dit niet wist of kon weten. Dit kan ook het geval zijn bij bijv. voormalig werknemers.

De feiten waarop het advies van het Bureau Bibob is gebaseerd zijn moeilijk verifieerbaar, omdat een dergelijk advies niet wordt gestaafd met de onderliggende informatie, zoals b.v. de processen-verbaal. De waarborgen die het strafproces kent ontbreken bij de Wet Bibob. De zgn. “harde bewijzen” welke in het strafprocesrecht nodig zijn om tot een veroordeling te komen zijn dan ook niet nodig in het kader van een intrekking of weigering van een vergunning op grond van de Wet Bibob.
De procedure die het bestuursorgaan moet volgen om tot een intrekking of weigering op grond van de Wet Bibob te komen kent enkele waarborgen. Zo dient kenbaar te worden gemaakt dat een advies gevraagd is aan het Landelijk Bureau Bibob. Dit bureau heeft vervolgens maximaal twee maanden om een advies uit te brengen. Indien het bestuursorgaan op grond van dat advies vergunning wil verlenen, behoeft zij geen inzage te geven in het ontvangen advies. Wil het bestuursorgaan echter overgaan tot intrekking of weigering van de vergunning, dan wel het opleggen van nadere voorschriften, dan zal zij daartoe eerst schriftelijk een voornemen kenbaar moeten maken aan de vergunninghouder. Deze krijgt inzage in het advies en mag vervolgens een mondelinge of schriftelijke zienswijze indienen. Het bestuursorgaan dient ook derden die genoemd worden in het advies van het Landelijk Bureau Bibob melding te doen van het advies en inzage te verlenen in de voor hen relevante passages. Ook die derden dienen gelegenheid te krijgen hun zienswijze te geven.

De hiervoor beschreven fase is van groot belang voor de vergunninghouder. Immers, in deze fase heeft het bestuursorgaan nog niets definitief besloten en behoort het tot de mogelijkheden op de door het Bureau Bibob geschetste feiten en omstandigheden een ander licht te werpen. Het bestuursorgaan is niet verplicht het advies van het Bureau Bibob op te volgen en mag, ook indien het advies negatief is, toch vergunning verlenen of deze in stand laten. Het is derhalve van groot belang voor de vergunninghouder/exploitant om juist de zienswijzefase te benutten.

Fort Advocaten is van meet af aan voor exploitanten/ondernemers betrokken geweest bij toepassing en uitvoering van de Wet Bibob door het openbaar bestuur. Dit is niet geheel toevallig. De gemeente Amsterdam is de bakermat van deze wet die zij sedert 2005 actief hanteert in het kader van horeca-exploitaties, coffeeshops, seksinrichtingen, bouwvergunningen, milieuvergunningen, aanbestedingen, vastgoedtransacties etc. etc..

Rob IJsendijk heeft in dit verband veel ondernemers bijgestaan wiens zaak en professioneel voortbestaan in gevaar werd gebracht door deze wet. Verreweg het grootste deel van deze ondernemers heeft een vergunning gekregen/behouden; andere ondernemers hebben na – veelal intensieve – onderhandelingen met de gemeente hun bedrijfsvoering gestaakt op voor hen gunstige voorwaarden.

Indien u meer wilt weten, neem gerust contact op met Rob IJsendijk.