skip to Main Content
+31 (0)20 664 5111 info@fortadvocaten.nl

Verpanding van toekomstige vorderingen

Op 19 februari 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam (LJN BZ5605) een arrest gewezen over de verpanding van toekomstige vorderingen.

Op grond van art. 3:239 lid 1 BW kan een pandrecht op een vordering worden gevestigd indien de vordering op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een op dat tijdstip reeds bestaande rechtsverhouding.

In een arrest van het gerechtshof Amsterdam speelde de vraag of een vordering voortvloeiende uit een overeenkomst nog steeds was verpand aan de bank nadat de oorspronkelijke overeenkomst drastisch was gewijzigd.

Bij afweging van de feiten en omstandigheden komt het hof in deze uitspraak tot het oordeel dat indien hetgeen later nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft gebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen de partijen, er vanaf de wijziging sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien.

Het hof wijst op de parlementaire geschiedenis bij art. 3:239 BW. De begrenzing van de mogelijkheid van het stil verpanden van toekomstige vorderingen is ingevoerd omdat een ruimere mogelijkheid ten koste zou gaan van de gewone schuldeisers, aan wie slechts het middel van derdenbeslag ter beschikking staat.

 

Bob Heijne

Bob Heijne

Bob Heijne is advocaat faillissementsrecht. Neem voor vragen contact op via 020 664 51 11.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *