skip to Main Content
act legal covers all major European business centres
AmsterdamBratislavaBucharestBudapestFrankfurtMilanPragueViennaWarsaw
Meet us at actlegal.com

Een schoft met/zonder hoge hoed

Ruim zes jaar geleden (Pompshop januari 2012) schreef ik een column met deze titel. Ik refereerde aan een prikkelende uitspraak van een prof in mijn eerste studiejaar: “De Staat is een schoft met een hoge hoed”. De overheid gedraagt zich deftig, maar doet de burger intussen ook onrecht aan.

Die overheid was de gemeente Rotterdam. Het College van B&W had in 2005 besloten om alle tankstationlocaties op gehuurde gemeentegrond via een veiling aan de hoogste bieder uit te geven voor een periode van 15 jaar. Het systeem lijkt op dat van de rijkswegveilingen, met het belangrijke verschil dat de zittende rijkswegconcessiehouder de opbrengst van de eerste veiling krijgt als hij niet de winnaar is. Wint hij zelf, dan hoeft hij maar ten hoogste 30% van zijn bod te betalen. Bij de eerste veiling was de zittende concessiehouder dus altijd winnaar: óf van de locatie óf van de hoofdprijs.

Rotterdam kent dat compensatiemechanisme niet. De overboden huurder staat met lege handen. Wél heeft de huidige staatssecretaris Harbers – toen raadslid in Rotterdam – kunnen bereiken dat het College de lokale ondernemers zou beschermen door hun locaties pas na 15 jaar te veilen. Deze veilingen gaan vanaf 2020 plaatsvinden.

Voor de lokale ondernemers die onderhuurder waren heeft het College – ingevolge de motie Harbers – ook een compensatie ingebouwd. Het veilingbeleid bevat de regeling dat onderhuurders (exploitanten die het tankstation voor een oliemaatschappij exploiteren; de meeste huurders waren oliemaatschappijen) bij de eerste veiling mogen blijven zitten. De bieders op de veiling bieden dan – net als bij de rijkswegveilingen – op een verhuurd object.

Direct na het bekend worden van deze regeling heb ik de gemeente laten weten dat zes van mijn cliënten van deze regeling gebruik wilden maken. Bij vier van hen antwoordde de gemeente dat de huurder van de betreffende locatie de onderhuurder nooit had aangemeld, zodat sprake was van illegale onderhuur. Het huurcontract bevatte immers een verbod tot onderhuur en zij kwamen daarom niet in aanmerking voor de regeling. De andere twee kwamen wel in aanmerking.

Drie van deze vier exploitanten heeft met hun verhuurder (oliemaatschappij) een regeling getroffen. Voor één exploitant heb ik een procedure gevoerd om te bereiken dat hij – ondanks dat zijn verhuurder hem nooit had aangemeld – het Harbers-pakket zou krijgen. Dat lukte bij de rechtbank, via het vertrouwensbeginsel. De rechtbank woog zwaar mee dat de gemeente (de gemeentelijke belastingdienst en de dienst die de naleving van milieuregels handhaaft) al meer dan twintig jaar op de hoogte was van de aanwezigheid van deze ondernemer. Hij mocht er daarom op vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor de regeling, omdat de gemeente daaraan pas in tweede instantie had toegevoegd dat deze alleen gold voor onderhuurders voor wie uitdrukkelijk toestemming was gevraagd.

De gemeente ging tegen deze uitspraak in hoger beroep. Zij hamerde er opnieuw op dat zij de regeling echt alleen toepaste in gevallen waarin uitdrukkelijk toestemming voor onderhuur was gevraagd en de gemeente ofwel had ingestemd ofwel nooit had geantwoord. Voor wie dat gold, wilde de gemeente niet zeggen. Het gerechtshof gaf de gemeente gelijk. De onderhuurder zal na de veiling het veld moeten ruimen.

Ik zit nu met gemeente om de tafel over de invulling van de regeling voor de twee “erkende” onderhuurders. De gemeente bekent nu dat deze twee onderhuurders de enige twee “erkende” onderhuurders zijn. In beide gevallen is geen sprake van door de oliemaatschappij gevraagde toestemming, maar heeft de gemeente aan de huurders opgelegd dat zij aan deze exploitanten móesten onderverhuren. De gemeente loste daarmee op dat moment een probleem op. Gevallen waarin door de huurder toestemming voor onderhuur is gevraagd, blijken helemaal niet te bestaan.

Ik moest zodoende weer denken aan de schoft en ik weet het nu zeker. Het is zonder hoge hoed.

Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

Dirk van den Berg

Dirk van den Berg is partner en advocaat bij act Fort Advocaten. Hij heeft zich gespecialiseerd in vastgoedrecht, franchiserecht, huurrecht bedrijfsruimte en distributierecht. Hij adviseert een groot aantal ondernemers in de tankstation branche, onder andere in contracten met oliemaatschappijen.

Column Pompshop
1. Golfbewegingen en gelegenheidsargumenten
2. Tanken zonder betalen is diefstal!
3. Een Whatsapp-gesprek is een gesprek!
4. Een schoft met/zonder hoge hoed
5. Knallende kurken, krimpende kansen
6. De Gele Hesjes zijn boos, maar waarover (niet)?
7. Gebouwd of niet gebouwd, dat is de vraag
8. Tegen de stroom in voor koffie en broodjes…
9. De aard van het beestje
10. Franchisewet 2.0
11. Op de wip
12. Sorry, geen tijd voor de column
13. Hoeveel magere jaren nog?
14. De ene doodsteek is de andere niet
15. Griffie(on)recht en kortzichtigheid
16. Andermaal de veiling
17. Pech voor PitPoint
18. Arbeidsrecht in balans?
19. Recht in tijden van corona
20. Huurrecht in tijden van corona 2
21. Fysiek feestje
22. Adviesprijs nog steeds niet exit?
23. Een nieuwe start. Nieuwe rondes, nieuwe kansen!
24. Het hele grote en het hele kleine
25. G(r)een Ontvankelijkheid
26. De felbegeerde positie van exploitant
27. De Paal – Dappere CODO
28. Een sprong van 1,5 meter op 100 meter hoogte
29. Black box
30. Koffietje op De Horn?
31. Tamelijk Veel Lof
32. WYSIWYG (What You See Is What Gou Get)?
33. De Staat deed waartoe hij in staat was